Welke bedragen wijzigen er vanaf 1 januari 2021?

Terug naar het overzicht Welke bedragen wijzigen er vanaf 1 januari 2021?

Datum: maandag 11 januari 2021

Auteur(s): Aanje Kints

Jaarlijks wijzigen op 1 januari een aantal cijfers en bedragen. Deze bedragen zijn nodig voor een vlotte werking binnen de personeelsdienst. In deze bijdrage worden de meest relevante bedragen verzameld zodat in één oogopslag duidelijk is wat er wijzigt en welke de nieuwe bedragen zijn die moeten toegepast worden.  

Inhoud

1. Nieuwe schalen bedrijfsvoorheffing       

2. Toegelaten beroepsinkomsten voor gepensioneerden

3. De voor beslag of overdracht vatbare bedragen vanaf 24 december 2020 tot en met 31 maart 2021 (tijdelijke verhoging grenzen naar aanleiding van corona)

4. De voor beslag of overdracht vatbare bedragen vanaf 1 april 2021

5. Kostenvergoeding vrijwilligers

 

1. Nieuwe schalen bedrijfsvoorheffing

Bron: Koninklijk Besluit van 16 december 2020 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing.

De rekenregels alsook de bedrijfsvoorheffingsschalen voor 2021 werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Deze regels en schalen zijn van toepassing op de bezoldigingen, pensioenen en overige beroepsinkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2021.

De bedrijfsvoorheffing op beroepsinkomsten is een verplichte afhouding op de werkelijke bruto-inkomsten, verminderd met de RSZ-bijdragen (bruto-inkomsten − RSZ = belastbaar inkomen). De werkgever is wettelijk verplicht op het belastbaar inkomen de bedrijfsvoorheffing in te houden en door te storten naar de schatkist. De werknemer kan eventueel wel vragen aan zijn werkgever een hoger bedrag in te houden dan wettelijk voorzien is, dit om te vermijden dat bij de jaarlijkse belastingafrekening te veel bijbetaald zou moeten worden. Hetzelfde kan bekomen worden via voorafbetalingen.

Er zijn 3 schalen van bedrijfsvoorheffing. In deze bijdrage behandelen we enkel schalen 1 en 2.

  • schaal 1 voor alleenstaanden en gehuwde/wettelijk samenwonende tweeverdieners;
  • schaal 2 voor gehuwde/wettelijk samenwonende éénverdieners.
  • schaal 3 is van toepassing op niet-inwoners die niet gedurende het volledige belastbare tijdperk een tehuis in België hebben gehouden.

Voor een maandinkomen dat valt tussen twee opeenvolgende bedragen in de schalen, is de bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor het laagste van deze bedragen.

 

1.1. Belastingverminderingen

In het kader van de bedrijfsvoorheffing worden een aantal verminderingen in rekening gebracht die verband houden met o.a. de familiale toestand van het personeelslid en de aard van zijn inkomen.

A. Vermindering voor kinderen ten laste

Een gehandicapt kind ten laste wordt voor twee kinderen ten laste gerekend.

 

B. Andere verminderingen ingevolge gezinssituatie

  • Vermindering met 26,00 euro voor een alleenstaande (behalve wanneer zijn inkomsten uit pensioenen of werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag bestaan).
  • Vermindering met 37,00 euro voor:

• niet hertrouwde weduwnaar/weduwe of ongehuwde vader/moeder met minimum 1 kind ten laste;

• mindervalide werknemer;

• mindervalide echtgeno(o)t(e) ten laste (enkel voor schaal 2);

• personen ten laste (andere dan kinderen, echtgeno(o)t(e), wettelijk samenwonende partner).

  • Vermindering met 81,00 euro voor ouders, grootouders, broers of zussen ten laste die de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben.
  • Vermindering met 117,50 euro voor de echtgeno(o)t(e) of wettelijk samenwonende partner met beroepsinkomsten niet hoger dan 235,00 euro netto per maand (enkel voor schaal 1).
  • Vermindering met 234,50 euro voor de echtgeno(o)t(e) of wettelijk samenwonende partner met beroepsinkomsten enkel bestaande uit pensioenen of renten, niet hoger dan 469,00 per maand (enkel voor schaal 1).

 

C. Vermindering voor natuurlijke personen met een laag inkomen uit de overheidssector

Er wordt een vermindering van de bedrijfsvoorheffing van 6,67 euro toegekend (na de uitvoering van de voorgaande verminderingen) op de belastbare bezoldiging van minstens 601,50 euro en maximum 2.207,43 euro voor personen met een laag inkomen die als statutair, stagiair of tijdelijke in dienst zijn bij de overheid, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, inrichtingen die aan de provincies ondergeschikt zijn, de gemeenten en de inrichtingen die aan de gemeenten ondergeschikt zijn, en die niet in het kader van een arbeidsovereenkomst zijn aangeworven.

 

D. Vermindering voor werknemers die recht hebben op de werkbonus

De fiscale werkbonus is een vermindering van bedrijfsvoorheffing voor werknemers met een laag inkomen die recht hebben op een vermindering van socialezekerheidsbijdragen (de zogenaamde sociale werkbonus).Deze fiscale werkbonus wordt nu verhoogd van 28,03 % naar 33,14 %.

 

1.2. Bijzondere tarieven van bedrijfsvoorheffing

A. Uitzendkrachten

Voor uitzendkrachten is de bedrijfsvoorheffing vastgesteld op 11,11% van het belastbaar loon. De bedrijfsvoorheffing wordt forfaitair ingehouden, omdat de uitzendbureaus moeilijk de inkomsten van een uitzendkracht kunnen inschatten.

 

B. Jonge werknemers

Werknemers die aan de voorwaarden voldoen om inschakelingsuitkeringen te krijgen van de RVA en die beginnen te werken tijdens de maanden oktober, november of december, moeten gedurende deze maanden geen bedrijfsvoorheffing betalen op de belastbare bezoldigingen. De totale bruto bezoldiging mag evenwel niet hoger zijn dan 3.450,00 euro per maand. De vrijstelling geldt zowel voor de gewone voorheffing als voor de exceptionele bedrijfsvoorheffing.

 

C. Studenten

Er is vanaf 1 januari geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de bezoldigingen betaald of toegekend aan de studenten:

  • die tewerkgesteld zijn met een arbeidsovereenkomst voor studenten;
  • gedurende 475 aangegeven uren studentenarbeid per kalenderjaar;
  • en die overeenkomstig de wettelijk bepalingen niet onderworpen zijn aan de gewone socialezekerheidsbijdragen.

 

1.3. Exceptionele vergoedingen, achterstallen, opzeggingsvergoedingen ...

Exceptionele vergoedingen, achterstallen, opzeggingsvergoedingen, inschakelingsvergoedingen ... worden aan speciale tarieven onderworpen. Deze bijdrage gaat hier niet verder op in.

 

2. Toegelaten beroepsinkomsten voor gepensioneerden

Bron: Ministerieel besluit van 20 december 2018 tot aanpassing van de jaarbedragen bedoeld in artikel 64, §§ 2 en 3, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, BS 11 december 2018.

Een gepensioneerde mag tot een bepaald bedrag per jaar bijverdienen. Het grensbedrag hangt af van de leeftijd van de persoon en het bestaan kinderen ten laste. In geval van toepassing van een grensbedrag zijn de bedragen voor 2021 gekend.

Om ouderen langer aan het werk te houden, werd de reglementering betreffende de toegelaten arbeid als gepensioneerde versoepeld.

In de volgende situaties mag een gepensioneerde onbeperkt bijverdienen naast zijn pensioen:

  • Vanaf 1 januari van het jaar waarin de gepensioneerde de leeftijd van 65 jaar bereikt;
  • De persoon die een beroepsloopbaan van 45 jaar kan bewijzen op het moment dat het rustpensioen in werking treedt.

Opgelet: de gepensioneerde van 65 jaar van wie de echtgenoot een gezinspensioen geniet, moet zich wel nog beperken tot onderstaande bedragen. Immers, een gezinspensioen (75%) ligt hoger dan een pensioen als alleenstaande (60%) en geldt enkel wanneer de echtgeno(o)t(e) slecht een beperkt inkomen geniet.

 

2.1. Vanaf 1 januari 2021 gelden onderstaande bedragen:

Deze grensbedragen worden voortaan elk jaar geïndexeerd. In een kalenderjaar waarin verschillende grensbedragen van toepassing zijn, wordt enkel rekening gehouden met het hoogste grensbedrag. Hierop bestaat één uitzondering, met name in het jaar waarin men 65 wordt.

Opgelet: in het eerste jaar van het pensioenmoeten de maximumbedragen zoals hierboven vermeld, geprorateerd worden. Bijvoorbeeld: een werknemer gaat op pensioen op 1 mei van het jaar. In dat geval moet het grensbedrag geprorateerd worden met 8/12.

 

2.2. Sancties

Als de gepensioneerde voornoemde bedragen overschrijdt wordt het pensioen verminderd met het  percentage van de overschrijding, ongeacht het bedrag ervan.

Er is dus geen volledige schorsing van het pensioen meer wanneer een overschrijding van 25% of meer wordt vastgesteld.

Deze sanctie heeft betrekking op het volledige kalenderjaar, zelfs al werd de activiteit niet heel het jaar uitgeoefend.

 

2.3. Specifieke regels voor gepensioneerden in kader van COVID 19-pandemie

Gepensioneerden die ingegaan zijn op de oproep om hulp te bieden in het kader van de beheersing van de COVID 19-pandemie, mogen niet financieel benadeeld worden.

Op 1 december 2020 werd de verlenging gepubliceerd van de wet van 7 mei 2020 inzake een decumulatie ingesteld voor wanneer COVID-19-inkomsten worden gecombineerd met inkomsten uit een wettelijk pensioen, een aanvullend pensioen of een leefloon. Het koninklijk besluit strekt ertoe de artikelen 3, 4 en 5 van de wet van 7 mei 2020 te verlengen tot en met 31 maart 2021, met terugwerkende kracht vanaf 1 september 2020.

Wat betekent dit?

  • De gepensioneerde die bij werkt als verpleegkundige, dokter of gezondheidsdeskundige in een cruciale sector die essentiële diensten levert, kan tot 31 maart 2021 onbeperkt bijverdienen bovenop het pensioen.
  • De cumulatie van pensioen en uitkering voor tijdelijke werkloosheid is mogelijk tot 31 maart 2021 voor de gepensioneerde die geen beroepsinkomsten kan verwerven door de tijdelijke werkloosheid.

 

3. De voor beslag of overdracht vatbare bedragen vanaf 24 december 2020 tot en met 31 maart 2021 (tijdelijke verhoging grenzen naar aanleiding van corona)

Bron: Wet van 20 december 2020 houdende diverse tijdelijke en structurele bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19

Op 24 december 2020 werd de wet van 20 december 2020 houdende diverse tijdelijke en structurele bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

De wet van 20 december voorziet zowel in een tijdelijke verhoging van de beslaggrenzen als een tijdelijke inperking van bepaalde beslagen tegen particulieren. De tijdelijke verhoging van de grenzen voor beslag en overdracht moet samen gelezen worden met de tijdelijke inperking van bepaalde beslagen tegen particulieren.

De beslaggrenzen worden door de wet van 20 december 2020 tijdelijk verhoogd met 20 %.  De tijdelijke verhoging van de beslaggrenzen geldt van 24 december tot en met 31 maart 2021 (de datum kan eventueel nog verlengd worden door een koninklijk besluit).

De grenzen voor beslag en overdracht zoals voorzien in de wet van 20 december 2020 zien er als volgt uit:

 

3.1. Het beschikbaar gedeelte voor de inkomsten uit arbeid

Voor de inkomsten uit arbeid zal het beschikbaar gedeelte berekend worden op basis van bedragen in onderstaande tabel:

Indien de nettowedde gelijk is aan of groter is dan 1.770,00 euro heeft het personeelslid een totaal gewaarborgd inkomen van 1.643,80 euro.

 

3.2. Het beschikbaar gedeelte voor de inkomsten uit andere activiteiten dan arbeid

Voor de inkomsten uit andere activiteiten dan arbeid (bv. pensioen, ziekte- en invaliditeitsuitkering, …) zal het beschikbare gedeelte berekend worden op basis van bedragen in onderstaande tabel:

Indien de inkomsten uit andere activiteiten dan arbeid gelijk zijn aan of groter zijn dan 1.770,00 euro heeft de beslagene een totaal gewaarborgd inkomen van 1.628,60 euro.

 

3.3. Verhoging van de bedragen wegens kind ten laste

Per kind ten laste bedraagt de verhoging 84,00 euro.

 

4. De voor beslag of overdracht vatbare bedragen vanaf 1 april 2021

Bron: Koninklijk besluit van 10 december 2020 tot uitvoering van artikel 1409, §2 van het Gerechtelijk Wetboek.

Wanneer een personeelslid nalaat zijn schulden te betalen, heeft de schuldeiser het recht om op het loon van de schuldenaar beslag te leggen. Daarnaast heeft een werknemer en zijn gezin recht op een minimuminkomen. Dit minimuminkomen is hetzelfde voor statutaire als voor contractuele personeelsleden.

Er zijn wettelijke grenzen vastgelegd die moeten worden in acht genomen bij beslag of overdracht.

Jaarlijks worden deze basisbedragen aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand november. De nieuwe grensbedragen zijn van toepassing op 1 januari van het jaar volgend op de aanpassing.

Onderstaande grensbedragen zullen (voorlopig) pas van toepassing zijn op 1 april 2021 (tenzij bovenstaande tijdelijke verhoging verlengd wordt door een koninklijk besluit).

 

4.1. Het beschikbaar gedeelte voor de inkomsten uit arbeid

Voor de inkomsten uit arbeid zal het beschikbaar gedeelte berekend worden op basis van bedragen in onderstaande tabel:

Indien de nettowedde gelijk is aan of groter is dan 1.490,00 euro heeft het personeelslid een totaal gewaarborgd inkomen van 1.383,50 euro.

 

4.2. Het beschikbaar gedeelte voor de inkomsten uit andere activiteiten dan arbeid

Voor de inkomsten uit andere activiteiten dan arbeid (bv. pensioen, ziekte- en invaliditeitsuitkering, …) zal het beschikbare gedeelte berekend worden op basis van bedragen in onderstaande tabel:

Indien de inkomsten uit andere activiteiten dan arbeid gelijk zijn aan of groter zijn dan 1.490,00 euro heeft de beslagene een totaal gewaarborgd inkomen van 1.370,80 euro.

 

4.3. Verhoging van de bedragen wegens kind ten laste

Per kind ten laste bedraagt de verhoging 71,00 euro.

 

5. Kostenvergoeding vrijwilligers

Bron: Website van RSZ en Koninklijk besluit van 20 december 2018 tot verhoging van het jaarlijks kostenplafond, zoals bepaald in artikel 10, eerste lid van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van de vrijwilligers, voor bepaalde categorieën van vrijwilligers, BS 28 december 2018.

Vrijwilligers mogen voor hun prestaties geen loon ontvangen. Dit belet echter niet dat zij vergoed mogen worden voor de kosten die ze voor het bestuur hebben gemaakt.

Het staat het bestuur vrij om de vrijwilliger al dan niet te vergoeden voor gemaakte kosten. Binnen het kader van de informatieplicht, brengt het bestuur de vrijwilliger ervan op de hoogte of een onkostenvergoeding wordt uitbetaald en volgens welk systeem:

  • volgens de forfaitaire terugbetalingsregeling, OF
  • door middel van het voorleggen van bewijsstukken.

Wordt gekozen voor de forfaitaire terugbetalingsregeling, dan mogen in 2021 volgende grenzen niet worden overschreden:

  • per dag: 35,41 euro;
  • per jaar: 1.416,16 euro.

Indien één of beide grenzen van de forfaitaire bedragen overschreden worden, zal de activiteit niet langer als vrijwilligerswerk worden beschouwd en de persoon die de activiteit verricht niet als vrijwilliger. Dan zal wat hij heeft ontvangen voor zijn activiteit onderworpen worden aan socialezekerheidsbijdragen en worden belast als beroepsinkomen.

Een variabele of reële kostenvergoeding is onbegrensd, maar buitensporige bedragen worden niet aanvaard.

Op de regel dat door de vrijwilliger per kalenderjaar slechts één kostenvergoedingssysteem kan worden gehanteerd, bestaat één uitzondering. De  combinatie van de forfaitaire kostenvergoeding met een terugbetaling van de reële vervoerskosten is mogelijk voor maximaal 2.000 kilometer per jaar per vrijwilliger.

Voor de berekening van het plafond wordt rekening gehouden met de kilometervergoeding voor het gebruik van de eigen wagen.

 

5.1. Bijzondere categorie vrijwilligers

Dit verhoogd jaarlijks plafond van onkostenvergoeding zou dan gelden voor:

  • sporttrainer, sportlesgever, sportcoach, jeugdsportcoördinator, sportscheidsrechter, jurylid, steward, terreinverzorger-materiaalmeester, seingever bij sportwedstrijden;
  • de nachtoppas, evenals de dagoppas bij hulpbehoevende personen volgens de voorwaarden en kwaliteitscriteria die iedere Gemeenschap bepaalt;
  • het niet-dringend liggend ziekenvervoer: het liggend ziekenvervoer naar, vanuit en tussen ziekenhuizen of vestigingsplaatsen van ziekenhuizen.

Vanaf 1 januari 2021 wordt het jaarlijks kostenplafond voor voormelde categorie vrijwilligers op 1.821,10 euro (niet-geïndexeerd, gekoppeld aan spilindex 103,14, basis = 1996) vastgelegd, wat neerkomt op het geïndexeerd bedrag van 2.600,90 euro.

Dit verhoogd forfait kan evenwel niet altijd worden toegepast. Voormelde sporters die een sociale zekerheidsuitkering of leefloon ontvangen kunnen dit niet combineren met het verhoogd forfait.

In deze gevallen blijft het gewone forfaitair grensbedrag van de onkostenvergoeding van toepassing, dat vanaf 1 januari 2021 1.416,16 euro per kalenderjaar bedraagt.

 

 

Nog geen HRMConnect-abonnee? Wenst u ook toegang tot een kennisdatabank vol relevante publicaties? Neem contact op met ons voor verdere vrijblijvende informatie of een demonstratie ter plaatse: info@hrmconnect.be of 050 642 818.