Neurodiversiteit krijgt de laatste jaren veel aandacht. De term verwijst naar de natuurlijke variatie in cognitieve verwerking, perceptie, leren en sociale interactie binnen de menselijke populatie. Mensen verschillen op uiteenlopende vlakken, van spontaniteit en denksnelheid tot het vermogen om te plannen, problemen op te lossen en prikkels te verwerken. Neurodiversiteit heeft betrekking op alle mensen. Neurodivergentie verwijst specifieker naar individuen bij wie de informatie- en prikkelverwerking afwijkt van wat in de samenleving als neurotypisch wordt beschouwd.
Hoewel het concept zijn oorsprong vindt in de autismewereld, viel het me deze week op hoe sterk het inmiddels is uitgegroeid tot een brede parapluterm die niet alleen autisme, maar ook ADHD, dyslexie, dyspraxie en het syndroom van Gilles de la Tourette omvat, en in sommige interpretaties zelfs verstandelijke beperkingen, epilepsie of persoonlijkheidskenmerken zoals introversie. Maar wat gebeurt er wanneer een begrip steeds verder wordt opgerekt? En wat betekent het voor hr wanneer een term die oorspronkelijk bedoeld was om inclusie van mensen met autisme te bevorderen zo breed wordt dat zijn onderscheidend vermogen dreigt te vervagen?
Om de rest van het artikel te lezen moet je een abonnement hebben op HRMConnect.
Nog geen lid? Ontvang een demo of offerte.
Ben je wel al lid? Log je in.